Op 6 mei 1674 trokken Coenraad Ruysch en zijn neef Dirck van Hoogeveen uit de stad Leiden en zetten zij de eerste stappen op hun Grand Tour. Tijdens deze lange educatiereis van bijna drie jaar trokken de twee neven achtereenvolgens door Duitsland, Zwitserland, Italië en Frankrijk. Coenraad hield een lijvig journaal bij van ruim honderdzestig dichtbeschreven bladen, waarin hij uitgebreid verslag deed over de talrijke voorvallen en nieuwe ervaringen op zijn pad. Hij kwam in contact met vorsten en domme boeren, mengde zich in het sociale leven van Genève en bekeek met bewondering naar de oudheden van Rome. In deze editie staat dit uitgebreide en rijke reisverslag van Coenraad Ruysch centraal.
Coenraad werd geboren op 22 oktober 1650 in de stad Dordrecht en was het tweede kind in het huwelijk van Nicolaas Ruysch (1610-1670) en Maria Paedts (1621-1670). Het echtpaar behoorde tot de hogere kringen van de Republiek. Zo was vader Nicolaas pensionaris van de stad Dordrecht en griffier van de Staten-Generaal. Voor Coenraad werd een soortgelijke hoge carrière als regent voorbereid. Hij studeerde in Leiden en promoveerde tijdens zijn Grand Tour aan de universiteit van Poitiers. Eenmaal teruggekomen in de Republiek verwierf Coenraad al gauw verschillende hoge posities in Leiden: in 1679 werd hij kapitein van de schutterij en trad hij toe tot de vroedschap en in 1684 werd hij benoemd tot meester van het plaatselijke weeshuis. Tussen 1685 en 1730 werd hij maar liefst elf keer beëdigd als burgemeester. In 1680 trouwde hij met Maria Cunaeus (1655-1724), dochter van de invloedrijke Johan Cunaeus, een verbond dat Coenraad een nog betere toegang verschafte tot de elite van de stad. Een jaar later werd er een zoon uit dit huwelijk geboren, genoemd naar zijn grootvader Nicolaas. Na een succesvolle maatschappelijke carrière stierf Coenraad op 23 maart 1731 in Leiden. Aan zijn zoon liet hij een zeer grote erfenis achter van ruim 330.000 gulden.
Uit de boekinventaris blijkt dat Coenraad na zijn eigen Grand Tour een verzamelaar werd van reisliteratuur. Zijn eigen verslag zal waarschijnlijk in diezelfde bibliotheek gepronkt hebben als aandenken aan de tocht uit zijn jeugd. Ook familieleden en vrienden hebben het werk waarschijnlijk ingezien. Als voorbereiding op zijn reis naar Italië, Frankrijk en Engeland las Jan Teding van Berkhout (1713-1760) het journaal van zijn oudoom Coenraad. Na Coenraads dood is het manuscript opgenomen in het archief van de familie Teding van Berkhout, met wie hij via zijn zus Elisabeth was verbonden. Deze familieverzameling is in te zien bij het Nationaal Archief in Den Haag.
De reis
De kaart toont de hele reis van 1674 tot 1677: van Amsterdam via
Hamburg, Ulm en Genève over de Alpen naar Noord-Italië, verder zuidwaarts langs Florence
en Livorno naar Rome, en ten slotte terug door Zuid-Frankrijk (Narbonne, Toulouse) naar
de Republiek. Elke stip is een pleisterplaats of bezochte plek uit het journaal; beweeg
erover voor de datum en de naam, of klik op een gedateerde stip om naar die dag
in de tekst te springen.
Route van de reis (1674–1677)· elke stip = een gedateerde pleisterplaats of bezochte plek
Bezig met laden…
Verantwoording van de editie
De volgende tekst is een kritisch editie van het reisverhaal van Coenraad Ruysch uit 1674-1677, bewaard in het Nationaal Archief in Den Haag (Familiearchief Teding van Berkhout, 1408). Het volledige document bedraagt 160 folia en loopt van mei 1674 tot april 1677. Het verslag is onvolledig. De huidige versie van het manuscript eindigt op f. 174v (6 april 1677), terwijl het origineel eindigt op 2 oktober 1677. Wellicht zijn enkele folia kwijtgeraakt — het manuscript is niet ingebonden — toen het manuscript in 1998 werd verplaats van het privé-archief van de familie Teding van Berkhout naar het Nationaal Archief in ’s-Gravenhage. In ieder geval heeft Frank-van Westrienen het voor haar monografie uit 1983 het werk nog in zijn volledigheid kunnen inzien.
Omwille van de leesbaarheid van dit reisverslag zijn enkele redactionele ingrepen gedaan. Hoofdlettergebruik en woordafbrekingen zijn naar eigen oordeel en inzicht aangepast, evenals de keuze voor de lettervarianten <I>-<J> en <ij>-<y>. Woorden in enkel hoofdletters, zoals inscripties, zijn aangegeven in kapitalen. De interpunctie is aangepast wat betreft het gebruik van punten en komma’s. Koppeltekens, behalve in het geval van regelafbrekingen, en enclitische constructies zijn gelijk gehouden. Abbreviaturen en interlineaire en marginale toevoegingen zijn stilzwijgend opgelost. Doorhalingen zijn in deze editie weggelaten. Witregels zijn van de hand van de editeur. Folionummers worden tenslotte aangegeven met vierkante haken in de linkermarge van de tekst.